15/01/2025 - Recent heeft de Europese Commissie nieuwe regels opgesteld voor NGO’s die financiering ontvangen via programma’s zoals LIFE, waarmee de Commissie Europese milieu- en natuur initiatieven en NGO’s zoals WWF, Friends of the Earth en ClientEarth ondersteunt. Volgens deze nieuwe regels zouden actieve lobbyactiviteiten van deze NGO’s, die eerder als acceptabel werden beschouwd, niet langer in aanmerking komen voor financiering.  

Deze activiteiten omvatten “het organiseren van bijeenkomsten of het verstrekken van lobby-materiaal” aan specifieke EU-instellingen of functionarissen, of “het identificeren van specifieke leden of functionarissen van een instelling om hun standpunten te evalueren of te beschrijven, of om specifieke politieke inhoud of uitkomsten te bespreken, eraan toevoegend dat dergelijke activiteiten kunnen leiden tot “een reputatierisico voor de Unie”. Zoals Politico schreef, zou het schrappen van het deel van de LIFE-financiering dat naar de belangenbehartiging van klimaat- en natuur NGO’s ging "een sterke beleidswijziging van de Commissie zijn, aangezien het oorspronkelijk was bedoeld om een tegenwicht te bieden aan de lobbybelangen van bedrijven.".   

Hoewel er zeker legitieme argumenten zijn tegen het gebruik van publieke middelen voor beleidsbeïnvloeding, roept deze ontwikkeling ook fundamentele vragen op over de machtsverhoudingen in Brussel. Wat betekent dit voor de machtsbalans tussen NGO’s en de lobby van bedrijven? En welke gevolgen heeft dit voor de vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld in het democratische besluitvormingsproces?  

De bredere context: wie beïnvloedt het beleid? 

In Brussel strijden verschillende groepen om invloed: corporate lobby’s, NGO’s, vakbonden, en andere belanghebbenden proberen allemaal beleidsmakers te overtuigen van hun standpunten. Hoewel de corporate lobby jaarlijks honderden miljoenen euro’s investeert in het beïnvloeden van EU-beleid, toont onderzoek aan dat in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht het bedrijfsleven niet altijd aan het langste eind trekt. Met name als het gaat om instrumentele macht blijkt dat het bedrijfsleven op concrete onderwerpen gemiddeld gezien meestal niet meer invloedrijk is dan NGO’s en vakbonden. Instrumentele macht is het type macht waarbij actor A (bijvoorbeeld een bedrijf of lobbyist) actor B (bijvoorbeeld een politieke partij of politicus) van positie doet veranderen, waarbij deze verandering niet zou hebben plaatsgevonden zonder de bemoeienis van actor A. Dit komt mede doordat NGO’s en vakbonden sterk geprofessionaliseerd zijn en in veel gevallen de bredere publieke opinie aan hun kant hebben. Echter, uit onderzoek blijkt ook dat bedrijven meer invloed kunnen uitoefenen bij het controleren van de politieke agenda vergeleken met andere type lobbygroepen. Ook is het bedrijfsleven qua structurele macht (i.e. het type macht waarbij politici en lobbyisten dezelfde ideologische opvatting delen) nog vaak in het voordeel en hoeven zij soms niet eens te lobbyen omdat de politiek al rekening houdt met hun belangen. Concluderend kunnen we stellen dat het bedrijfsleven sterkere invloed kan uitoefenen op beleidsvorming als we alle verschillende vormen van macht in acht nemen.  

De impact op de machtsverhoudingen 

De nieuwe EU-maatregel verbiedt klimaat- en natuur NGO’s om actief lobbywerk te verrichten met geld dat zij ontvangen uit EU-subsidieprogramma’s. Dit betekent dat NGO’s die afhankelijk zijn van EU-subsidiegelden niet langer direct beleidsmakers kunnen benaderen om bijvoorbeeld strengere milieuwetgeving te eisen. Corporate lobby’s daarentegen ondervinden geen soortgelijke beperkingen. Zij kunnen hun eigen financiële middelen, die vaak vele malen groter zijn dan die van publieke belangengroepen, blijven inzetten voor lobbyactiviteiten en het beïnvloeden van beleidsvorming. Daartegenover staat wel dat klimaat- en natuur NGO’s in de afgelopen decennia dusdanig geprofessionaliseerd zijn dat publieke financiële steun voor hun belangenbehartiging wellicht niet langer nodig is om een gelijk speelveld te bewaken. 

Naast de directe gevolgen voor NGO’s kunnen deze maatregelen ook de positie van het maatschappelijk middenveld in het democratische besluitvormingsproces raken, aangezien NGO’s een essentiële rol spelen in het aankaarten van maatschappelijke kwesties en hierin vaak fungeren als tegenwicht tegen commerciële belangen. Een verzwakking van hun positie kan resulteren in een beleidsproces waarin niet alle belangen afgewogen worden. Dit roept dan ook de vraag op hoe we kunnen zorgen voor een eerlijk speelveld waarin alle belanghebbenden, zowel maatschappelijke organisaties als bedrijven, gelijke kansen hebben om gehoord te worden.  

Een eerlijke lobby gaat niet vanzelf 

Het is van belang om actief te blijven investeren in belangen die minder sterk vertegenwoordigd zijn in de politieke arena. Het financieel ondersteunen van NGO’s en andere maatschappelijke organisaties is dan ook essentieel om diverse belangenvertegenwoordiging en een eerlijk speelveld te waarborgen. Door deze subsidies kunnen organisaties zoals NGO’s blijven opereren in een politieke omgeving die vaak gedomineerd wordt door bedrijven. De recente koersverandering van de Europese Commissie zou deze machtsbalans kunnen verstoren. 

Wat vindt u? Is deze maatregel een noodzakelijke stap om het gebruik van publieke middelen te reguleren, of werken deze maatregelen juist een ongelijk speelveld en een verstoorde machtsbalans (verder) in de hand? 

Juliette Metz Consultant Public Affairs

Meer weten?

Heeft u vragen over bovenstaand of bent u op zoek naar Public Affairs advies? Neem contact op met Considerati, wij bieden gespecialiseerd advies en ondersteuning op maat.

Onze diensten ofContact