Koenraad Debackere (AWTI) over de actieve rol die overheid en politiek moeten nemen in grote maatschappelijke transities

23/07/2020 - Koenraad Debackere is Hoogleraar technologie-, innovatiemanagement, en innovatiebeleid aan de KU Leuven. Verder is hij lid van de Hogeschoolraad van RWTH Aken en raadslid van de adviesraad AWTI – de onafhankelijke adviesraad van regering en het parlement op het gebied van wetenschap, technologie en innovatie.

Considerati interviewt Debackere naar aanleiding van de laatste AWTI adviezen, inclusief de input voor de verkiezingsprogramma’s.

Nederland staat hoog in de internationale (digitale) innovatie lijstjes. Maar zien en benutten wij de kansen van (digitale) innovatie voldoende?

Nederland heeft inderdaad een goede fundering. De sterke ondernemersbasis, met grote en snelgroeiende bedrijven van eigen bodem, en de troef van excellent onderwijs en onderzoek: per capita heeft Nederland het hoogste aantal universiteiten in de wereldtop. Om die fundering volledig te benutten en verder uit te bouwen, pleiten we in aanloop naar het volgende Kabinet voor de nodige middelen én benadrukken we dat in dit tijdsgewricht specifiek transitiebeleid nodig is.

Die middelen – 800 miljoen voor sleuteltechnologieën – zijn nodig om doorbraken in bijvoorbeeld quantumrekenen te realiseren, maar ook in de chemie of energie te realiseren. Doorbraken uit publiek gefinancierd onderzoek faciliteren namelijk nieuwe bedrijvigheid: de GSM-standaard en het grotendeels Nederlandse Bluetooth zijn basis voor de huidige digitale industrie. Die publiek-private wisselwerking voor technologieën van de toekomst is onontbeerlijk.

Naast de middelen, zien wij gericht transitiebeleid vanuit de overheid als noodzakelijk. De generieke aanpak uit de jaren ‘70 heeft Nederland en de EU veel gebracht, maar de grote uitdagingen waar we voor staan vragen eveneens een meer gerichte houding van de overheid en een Toekomstbeeld voor Nederland. Zo’n beeld zou niet misstaan in verkiezingsprogramma’s of een coalitieakkoord en de nieuwe coalitie kan belangrijke eerste stappen zetten ter realisatie.

Het pleidooi voor actief transitiebeleid is relatief nieuw.

Het is geen nieuwe gedachte, maar we dragen deze wel explicieter uit, omdat de uitdagingen waarmee we geconfronteerd worden de maatschappij in hoog tempo onder druk zetten. We zullen een energietransitie moeten gaan maken, een klimaattransitie, een demografische transitie. De AWTI is ervan overtuigd dat om ons welvaartsniveau te behouden, innovatiebeleid nodig is waarin de overheid richting geeft en transities actief begeleidt. In allianties van overheid, wetenschap, bedrijven en de maatschappij (de quadruple helix) wordt innovatie gestimuleerd.  

En dat toekomstbeeld, hoe helpt dat ons verder?

Zo’n beeld geeft richting en werkt verbindend – tenminste als het een inclusief beeld is. Het lokt uit tot systeemdenken: hoe zorgen we dat de wereld er straks voor iédereen beter uitziet? En zonder doelen te stellen – ‘we zetten een man op de maan’ – komen we daar niet. Een organisatie die dit al goed doet is Rijkswaterstaat. Zij denkt vooruit naar 2050 en gaat de klimaatuitdaging aan met een horizon van dertig jaar. Ik zeg overigens niet dat zo’n stip via een kant en klare weg te bereiken is. Het vraagt juist nog veel nader inzicht , technologieontwikkeling en ondernemerschap. Er moeten vrijheid, prikkels en mechanismen zijn om de doelen te realiseren.

De vier-jarige horizon van de politiek matcht niet altijd met systeemdenken, (langetermijn)visie of grote veranderingen.

Het besluit om het Ministerie van Economische Zaken uit te breiden met ‘Klimaat’ toont dat dat wel kan. Het is onze taak als adviesraden om dit denken verder te stimuleren. En als de politiek die stip pas in 2022 zet, dan is het ook goed: het gaat erom dát het gebeurt.

Een gebeurtenis als Covid-19 drukt ons met de neus op de feiten dat digitale technologie al enorme verandering bracht: voorheen – zonder digitaal – was een naadloze overschakeling op thuisonderwijs en thuiswerk onmogelijk geweest en waren waardeketens en supply chains echt vastgelopen. Deze kansen van digitaal moeten we dus verder benutten.

De keerzijde is dat groepen die niet beschikken over digitale middelen extra kwetsbaar worden. Dat is dus een extra – maar zeer belangrijk – aspect dat de systeemdenkende overheid moet meenemen. Het toekomstbeeld moet inclusief zijn en werken voor iedereen.

Hoe voorkom je dat Europese lidstaten ieder hun eigen stippen zetten en versnippering ontstaat?

Het is niet erg als er redundantie is. Die stip is op veel manieren te bereiken en door parallelle trajecten kunnen we ons ook een bepaalde mate van ‘fault tolerance’ permitteren. Daarnaast geeft Europa al richting, bijvoorbeeld via de ‘Important Projects of Common European Interest’.

Het probleem van versnippering ligt op een fundamenteler vlak: de Europese interne markt werkt te slecht voor innovatie. Denk aan geneesmiddelinnovatie. In de VS geeft één traject bij de FDA meteen toegang tot een markt van 300 miljoen mensen. In Europa moet een geneesmiddel in elke lidstaat opnieuw worden geregistreerd – en in Duitsland zelfs in meerdere Bundesländer. Dat kan toch niet waar zijn?

De Brexit zal verdieping van de markt mogelijk katalyseren. De UK gaat zich immers wereldwijd competitief opstellen en zo een economisch-fiscaal paradijs recht voor de deur kan ons veel pijn berokkenen. Door de markt rigoureus te verdiepen kan Europa zowel haar hogere normen – de inclusiviteit waar ik het over had – behouden en toch een aantrekkelijk blok zijn, met haar 450 miljoen consumenten.

Wat moet het volgende regeerakkoord over (digitale) innovatie verankeren om verantwoord de volgende stap te maken?

Digitalisering moet dus inclusief zijn. En niet alleen de happy few, de beter opgeleiden of de bedrijven dienen, maar de maatschappij als geheel.

Ten tweede, het vinden van de juiste balans. Denk aan het hevige debat in België over Covid tracking en tracing en de vrij rigide AVG. Inclusiviteit betekent ook dat we als samenleving in zijn geheel de vraag stellen over datagebruik: wat kan en wat niet. De AVG trekt een aantal lijnen, maar die moeten we bij nieuwe ervaringen durven bevragen.

Ten derde komt met nieuwe technologie altijd angst. Denk aan artificial intelligence. De vraag moet zijn hoe we een nieuwe technologie willen inzetten. Dat vraagt om ethiek, maar ook om een idee over de maatschappij van de toekomst. Carl Benedikt Frey stelt in ‘The Technology Trap’ dat nieuwe technologieën de maatschappij verrijken, maar dat er op korte termijn creatieve destructie plaatsvindt.

Deze tijd vraagt van de politiek om de transitie goed te begeleiden, via een verhaal met toekomst dat verbindt, niet polariseert. En dat is in maart volgend jaar aan de kiezer, want ultimo verkiezen wij opnieuw ons eigen bestuur.

Claar Meerstadt Consultant Public Affairs